De Amerikaanse saxofonist Sonny Rollins is overleden. Hij was 95 en is een icoon in de jazzgeschiedenis. Van eind jaren 40, toen hij als tiener zijn eerste stappen zette in de muziekwereld, tot 2014 maakte hij ruim zestig albums en gaf hij duizenden concerten. Spectaculair waren zijn solo's die in hoog tempo voortjakkerden, soms wel een half uur lang.
De eeuwige perfectionist Sonny Rollins geldt als zeer invloedrijk. Als hij niet optrad, zat hij het liefst rustig thuis, maar zijn naam staat in één rijtje met baanbrekende muzikanten als Miles Davis (1926-1991) en John Coltrane (1926-1967), beiden van dezelfde generatie maar veel eerder overleden.
Rollins werd geboren in New York als zoon van migranten uit St. Thomas, een van de Amerikaanse Maagdeneilanden (St. Thomas is ook, niet toevallig, de titel van een van zijn bekendste composities).
Op de middelbare school speelde hij al in een band die ook andere bekende jazzmuzikanten zou voortbrengen en hij was kind aan huis bij zijn idool, de legendarische saxofonist Coleman Hawkins, die vlakbij woonde.
Gewapende overval
Nog voor zijn twintigste maakte Rollins opnamen met pianist Bud Powell, trombonist J.J. Johnson en Miles Davis. In die jaren nam de excentrieke pianist Thelonious Monk, "mijn muzikale mentor en goeroe", hem onder zijn hoede.
Zijn loopbaan raakte in het slop toen Rollins begin 1950 werd veroordeeld voor een gewapende overval. Na tien maanden in de beruchte gevangenis Rikers Island kwam hij voorwaardelijk vrij, maar hij werd opnieuw opgepakt omdat hij, zoals zo veel jazzmuzikanten, heroïne had gebruikt. Een moeilijke episode in zijn leven waarover hij zich later in stilzwijgen hulde.
In 1955 liet hij zich opnemen in het Federal Medical Center in Lexington, Kentucky, deels een gevangenis maar ook de eerste en toen nog enige plek in de VS waar drugsverslaafden onder begeleiding konden afkicken. Daar wist hij met de toen nog experimentele methadonbehandeling van zijn heroïneverslaving af te komen.
Zonder piano
Daarna woonde hij enkele jaren in Chicago en maakte een aantal platen met drummer Max Roach, maar vanaf halverwege de jaren 50 bracht hij hoofdzakelijk nog albums uit onder eigen naam.
Dat leidde tussen december 1955 en december 1956 tot een vruchtbare periode waarin niet minder dan zeven lp's van zijn hand verschenen, waaronder bekende titels als Tenor Madness en Saxophone Colossus. Op dat laatste album staat ook St. Thomas, genoemd naar het eiland waar zijn voorouders vandaan kwamen. Een baanbrekende compositie vanwege het calypso-ritme, wat later in de jazz nog veel navolging zou vinden.
Bekijk hier een live uitvoering van St. Thomas:
In de tweede helft van de jaren 50 werkte hij met een sobere bezetting, alleen begeleid door bas en drums. Het achterwege laten van de piano was een noviteit in de jazz en opnieuw een vorm waarin velen Rollins zouden volgen.
Anderhalf jaar sabbatical
In 1959 ging hij voor het eerst op tournee door Europa, waarbij hij ook optrad in Nederland. Daarna trok hij zich een tijdlang terug uit de openbaarheid, omdat hij, altijd op zoek naar meer, ontevreden was over zijn spel. Hij nam een sabbatical van ruim anderhalf jaar, waarin hij elke dag, weer of geen weer, eindeloos op straat oefende op het voetgangersgedeelte van de Williamsburg Bridge tussen Manhattan en Brooklyn, pal naast het metrospoor.
Naar eigen zeggen speelde hij daar soms wel vijftien of zestien uur per dag. Hij wilde niet thuis studeren omdat hij zijn zwangere buurvrouw niet tot last wilde zijn. "Ik had de rest van mijn leven op die brug kunnen doorbrengen", zei Rollins later. "Maar ik besefte dat ik terug moest naar het echte leven." De plaat die hij na zijn comeback maakte heette dan ook The Bridge, een van zijn bestverkochte albums, die in 2015 werd opgenomen in de Grammy Hall of Fame.
Verder ging hij de studio in met zijn oude held Coleman Hawkins (Sonny Meets Hawk, 1962) en werkte zijn voorliefde voor klassiekers uit het Great American Songbook verder uit.
Nog een innovatie: hij was een van de eersten die naast eigen composities ('originals') deze 'standards' ook gebruikten als vehikel voor improvisaties.
Oosterse filosofie
In 1965 trouwde hij voor de tweede keer, met Lucille Pearson, die niet alleen zijn echtgenote was maar ook jarenlang zijn manager en producer, tot ze overleed in 2004.
Tussen 1966 en 1972 had hij opnieuw een periode van inkeer. Hij bracht geen platen uit en verdween vanaf 1969 weer enkele jaren uit de publiciteit, bezocht Jamaica en verbleef langere tijd in India, waar hij zich verdiepte in yoga, meditatie en oosterse filosofie.
In de loop van de jaren 70 veranderde zijn stijl. Hij werd beïnvloed door R&B, pop en funk, liet zich begeleiden door elektrische instrumenten en maakte commerciëler werk dan voorheen. In 1981 speelde hij al improviserend mee op drie nummers van het Rolling Stones-album Tattoo You, waaronder de hit Waiting On a Friend. Overigens staat zijn naam niet vermeld bij de credits. Ook speelde hij steeds vaker zonder enige begeleiding, culminerend in The Solo Album uit 1985.
In 2001 kreeg hij een Grammy voor het album This Is What I Do. Op 11 september van dat jaar had hij een traumatische ervaring: als bewoner van de wijk Greenwich Village, vlak bij het World Trade Center, hoorde hij de vliegtuigen de wolkenkrabbers in vliegen. Hij moest op stel en sprong zijn huis uit - het enige wat hij meenam was zijn saxofoon.
Vijf dagen later gaf hij een concert in Boston dat als album werd uitgebracht onder de titel Without A Song: The 9/11 Concert (2005).
Longfibrose
In 2012 zette de toen 82-jarige Rollins een punt achter het optreden. In 2014 moest hij helemaal stoppen met saxofoon spelen, omdat hij leed aan longfibrose. Hij kreeg daarna nog allerlei prijzen en onderscheidingen, maar in de Nederlandse documentaire Sonny Rollins - Morgen speel ik beter van Olaf van Paassen en Hans Hylkema (2014) benadrukte hij dat het niet om hem ging. "Alle prijzen zijn voor de muziek, niet voor mij. Ik sta op de schouders van mijn voorgangers."