Een deel van de bijna 4000 kunstwerken en gebruiksvoorwerpen die sinds de Tweede Wereldoorlog in depots liggen opgeslagen moet onder beheer komen van de Joodse gemeenschap. Dat adviseert een commissie onder leiding van oud-minister Asscher aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de zogenoemde verweesde Joodse roofkunst.
Het gaat om objecten uit de NK-collectie. Daarin zitten duizenden schilderijen, meubels, tapijten en serviezen die tijdens het naziregime vanuit Nederland in Duitsland terecht zijn gekomen, door roof, dwangverkoop of confiscatie.
Na de oorlog werd een groot deel teruggehaald en ondergebracht in de rijkscollectie. Van veel stukken is nooit meer vastgesteld van wie ze waren.
Niemandsland
Die kunst wordt 'verweesd' genoemd. Van veel objecten is de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed vrijwel zeker dat ze van Joodse eigenaren waren die niet meer te achterhalen zijn, vaak omdat in de oorlog hele families zijn vermoord.
De commissie-Asscher wil ook dat deze kunstvoorwerpen worden tentoongesteld voor het publiek. "Wij vinden het belangrijk dat deze stukken niet langer in een soort niemandsland blijven hangen," zegt hij. "Het zijn objecten die iets kunnen vertellen aan mensen van nu: over het belang van de rechtsstaat en gelijke behandeling."
De presentatie van het rapport was vandaag in het Nationaal Holocaustmuseum. Daar hangen portretten van een onbekende kunstenaar uit de zestiende eeuw, die in de Tweede Wereldoorlog behoorden tot de privécollectie van nazileider Hermann Göring.
De verweesde Joodse objecten uit de NK-collectie liggen voornamelijk opgeslagen in het depot van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in Amersfoort.
De NK-collectie
In de Tweede Wereldoorlog zijn tienduizenden cultuurgoederen vanuit Nederland in Duitsland terechtgekomen. Door verkoop, maar ook door roof of confiscatie. Een deel van de werken is na de oorlog in Nederland teruggekeerd en ondergebracht in de rijkscollectie.
Tot in de jaren 50 is een deel teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren, een deel is daarna verkocht. Wat achterbleef in de rijkscollectie kreeg de titel NK-collectie, naar de in 1945 opgerichte Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK).
Asscher bezocht zelf de depots. "Dat is een zwaar beveiligde, bijna klinische omgeving. En dan zie je ineens een bestek waar iemand op vrijdagavond mee at, wat waarschijnlijk een huwelijkscadeau was, of een kleed dat ooit boven een bank hing."
Juist dat maakt de collectie volgens hem zo indringend. "Mensen kunnen zich enorm hechten aan objecten, zeker als iemand er niet meer is. En al die spullen zijn nu door de geschiedenis bij elkaar terechtgekomen in een depot. Wij denken: het is zonde als je daar niets mee doet."
Context ontbreekt
Een deel van de bekendere werken hangt al in musea, zoals het Rijksmuseum en het Mauritshuis. Maar daar ontbreekt vaak context. "Je ziet niet dat zo'n object ooit is gestolen van mensen in de oorlog," zegt Asscher. Er staat wel bij dat het tot de NK-collectie hoort. Veel mensen weten niet wat dat betekent. "Daarom zeggen wij: zet dat erbij. Laat mensen er even bij stilstaan dat dit van iemand was die vermoord is."
Dat de kunst naar de Joodse gemeenschap zou gaan, stond al eerder vast. De vraag was vooral wat ermee moest gebeuren. Het Centraal Joods Overleg (CJO) heeft dat voorgelegd aan de commissie. Volgens voorzitter Chanan Hertzberger van het CJO is helder dat de stukken niet mogen worden verkocht. "Misschien meldt zich ooit nog iemand die zegt: dit was van mijn familie. Dan moet je het kunnen teruggeven."
In plaats daarvan moet de collectie een educatieve rol krijgen. "We willen mensen laten zien wat er is gebeurd in de oorlog. Wat er gebeurt als je mensen uitsluit. Uiteindelijk blijven er spullen over, borden, bestek, gewone dingen uit huishoudens, terwijl de mensen er niet meer zijn."
Confronterende vormen
De commissie adviseert om een onafhankelijke stichting op te richten die de collectie beheert en zichtbaar maakt. Het ministerie zou daarvoor jaarlijks 400.000 euro beschikbaar moeten stellen. De stichting moet bijvoorbeeld tentoonstellingen, educatieve projecten of samenwerkingen met kunstenaars organiseren.
Asscher: "Laat elk jaar iemand anders, een kunstenaar of theatermaker, de collectie verbinden met de actualiteit. Dan blijft het levend." Zelf ziet hij ook ruimte voor confronterende vormen. "Je zou mensen een keer kunnen laten eten met dat bestek, terwijl ze het verhaal horen. Dat kan ongemakkelijk zijn, maar juist dat maakt het betekenisvol."
De financiële waarde van de kunst is volgens zowel Asscher als Hertzberger niet waar het om draait. Asscher: "Het gaat niet om eigendom, maar om betekenis. Dit zijn als het ware morele bezittingen. En het gaat er vooral om wat we ermee doen, ook om te voorkomen dat mensen elkaar ontrechten en ongelijk behandelen."
Geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog?
Abonneer je dan hier op onze nieuwsbrief.